Vijftig jaar Vlaamse dominicanen

 
De splitsing van dominicaans België

Expo 58, vijftig jaar geleden: alle media hebben met veel woorden en beelden die tijd van toen doen herleven. Wie toen nog niet geboren was weet er nu ook alles van. Maar de dominicanen denken waarschijnlijk eerst aan iets anders uit de tijd van toen. Iets waar geen spektakel mee gemoeid was, maar dat ingrijpende gevolgen voor hun verdere toekomst heeft gehad. Vijftig jaar geleden hebben ze dominicaans België gesplitst. Officieel werd het zo niet genoemd, maar daar kwam het wel op neer.

Eentalige provincies

De magister van de orde is ervoor naar Brussel gekomen. Op 7 maart, het feest van Thomas van Aquino, heeft hij in België officieel een nieuwe dominicanenprovincie opgericht. Ze kreeg de naam van Sint-Thomas. Ze werd eentalig Frans, naast de meer dan 100 jaar oude Sint-Rosaprovincie die nu eentalig Nederlands werd. Het klooster van Brussel, waar hoofdzakelijk Franstaligen woonden, met zijn kerk die bijna uitsluitend Franstaligen aantrok, werden aan de St.-Thomasprovincie toegewezen. Het dominicaanse missiegebied in Congo, waar toen een 80-tal missionarissen werkten, bleef onverdeeld Belgisch.

Brussel niet losgelaten

Anders dan in het politieke België was Brussel voor de dominicanen geen hinderpaal om zich te splitsen. Ze hebben voor hun probleem een leefbare oplossing gevonden. De Franstalige Brusselaars gunden het de Vlamingen dat ze Brussel niet loslieten en er hun bestuurlijk centrum vestigden. Brussel is toch ook de hoofdstad van het politieke Vlaanderen.

In 1959 is het statige huis van het Institut international des sciences théoriques', gesticht en geleid door de Vlaamse dominicaan I. Dockx, door de Vlaamse provincie overgenomen. Het was ruim genoeg om er een kloostergemeenschap in onder te brengen. Het was ook goed gelegen, aan de rand van de binnenstad. Het was bedoeld om er maar voorlopig als kloostergebouw te dienen. Een tijd lang is gezocht naar een andere mogelijke woonplaats, in de meest diverse richtingen. Men heeft de dominicanen een parochie aangeboden, maar dat strookte niet met hun opzet. Ze wilden zich volledig op de Nederlandstalige pastoraal toeleggen en ook een tweetalige parochie kon hen niet bekoren. Aanbiedingen kregen ze ook vanuit Vlaamse randgemeenten, om het Nederlandstalige karakter ervan te komen versterken. Maar ze wilden liever niet in de rand werken. Het meest ambitieuze plan was de oprichting van een pastoraal centrum in het Rogiercentrum vlakbij het Noordstation. Het zou een 'open deur' worden, met een kapel bediend door een vijftal paters die daar ook konden wonen. Maar de prijs was te hoog en de toekomst van zo'n Vlaams centrum te onzeker.

Uiteindelijk zat er niets anders op dan het interieur van het internationaal instituut om te bouwen tot woon- en werkruimte voor een kloostergemeenschap.

Er is in het Brusselse klooster zwaar geïnvesteerd. De diensten van het provinciaal bestuur kregen er hun onderkomen. Paters van zowat overal kwamen het klooster bevolken. Enkele Vlamingen die bij de Franstaligen in Brussel woonden, verhuisden naar het Vlaamse klooster. Drie confraters kwamen vanuit het opgeheven huis van Antwerpen-West naar Brussel, en ook enkele missionarissen die definitief uit Congo waren teruggekeerd. De groep werd nog versterkt door een aantal pas afgestudeerde jonge paters. Een erg heterogene gemeenschap dus, en dat was een van de zwakke punten. Sommige paters hadden veel moeite om thuis te geraken in de pastorale activiteiten die werden ondernomen en moesten het na enige tijd opgeven.

Hierna volgen enkele bladzijden over de veelzijdige activiteiten die de Vlaamse dominicanen gaandeweg hebben ontplooid, geschreven door iemand die er nauw bij betrokken was.

De Vlaamse dominicanen in Brussel


De vestiging van de groep Vlaamse dominicanen aan de Tervurenlaan 221 in Sint-Pieters-Woluwe is voor hen een grote uitdaging geworden. Hoe en waar konden zij zich voor de (on)geloofswereld van de grootstad Brussel inzetten? In die wereld woonden en leefden en werkten veel Vlamingen in de jaren '60 vaak in een taalgemengde gezinssituatie en werkmilieu (Nederlands-Frans).

Pionierswerk

Vanuit hun nieuwe gemeenschap zijn de dominicanen vlug de noden gaan ontdekken en de verwachtingen gaan beluisteren die er zowel bij de geïntegreerde als de niet-geïntegreerde Vlamingen leefden. Velen hadden reeds of zochten toch een onderkomen zowel in de Franstalige parochiegemeenschappen als in het sociaal-culturele verenigingsleven. Een eigen Vlaams gemeenschapsleven was er niet, zeker niet in het Zuid-Oosten van Brussel, behalve in een paar oude kernen. Waarheen moesten de Vlaamse dominicanen zich oriënteren? Het werd een zoektocht.

Midden de jaren '60 bracht het IIde Vaticaans concilie een nieuwe uitdaging. Het bestaande kerkbeeld en de heersende geloofsbeleving werden bevraagd. Enkele jongeren van de Vlaamse kloostergemeenschap, die reeds door veel vragen waren gedreven, zijn aan het zoeken en luisteren gegaan naar wat het geloof kon betekenen in de veranderende maatschappij in de grootstad. In een gebouw in de Fauchillestraat - een zijstraat van de Tervurenlaan en in de nabijheid van het klooster - is toen heel wat denkwerk verricht in samenwerking met geëngageerde pastores en leken, onder stimulans van pater J. Cuypers. Vanuit de Fauchillestraat en de regelmatige gesprekken die er plaatsvonden, is de idee gegroeid om ook pastoraal iets te ondernemen dat de geest van Vaticanum II moest uitdragen. Zo ontstond een werkterrein rond het klooster in Woluwe dat zich uitbreidde naar Etterbeek en Oudergem, in samenspraak met de Nederlandstalige pastores van de parochies in die gemeenten.

Pastoraal centrum

De jonge en minder jonge dominicanen van de Brusselse gemeenschap engageerden zich via homiletische bijdragen in de zondagsliturgie en met conferenties rond geloofsverdieping voor de Vlamingen uit de regio. Men is ook doelbewust van 'Nederlandstalige Pastoraal' gaan spreken.

In een zestal parochiekerken werden de dominicanen gevraagd een pastorale bijdrage te leveren. En in een naburige kloosterkapel van vrouwelijke religieuzen hebben ze een vaste cultusplaats gevonden voor de Nederlandstaligen rond de Tervurenlaan en uit de omgeving. Ze kreeg de naam 'Europakapel': er kwamen drie taalgemeenschappen samen voor hun zondagsviering. Het was opvallend hoeveel Nederlandstalige jongeren deelnamen aan de vieringen en zich inzetten voor de dienst. Er ontstonden pastorale initiatieven vanuit de zondagsbijeenkomsten, o.a. voor de jongeren in het Contactcentrum (een gemeentelijk Nederlandstalig cultuurcentrum).

Een geruchtmakend project was de Vlaamse tegenhanger van de 'Grandes conférences catholiques': een reeks lezingen door sprekers met internationale faam. Geruchtmakend omdat de algemene voorspelling dat een Nederlandstalige onderneming met dergelijke allures op een mislukking afstevende, glansrijk werd tegengesproken. Het werd een onverwacht succes. Er waren sprekers die in het Brussels congressenpaleis meer dan duizend toehoorders hebben aangetrokken. Geruchtmakend ook in hogere kerkelijke kringen, die bezwaren lieten horen tegen het optreden van bepaalde (te weinig 'orthodoxe') sprekers.

Vormingswerk

De nood aan vorming - vandaag zouden we over catechese kunnen spreken - werd een veelgehoorde vraag. Hoe kon men in de lijn van de conciliaire vernieuwing samen met leken aan kerkopbouw werken in Brussel en samen verantwoordelijkheid dragen? Ook dat was een druk besproken thema in het pastoraal centrum. Opmerkelijk is wel dat in de Nederlandstalige pastoraal, meer dan in de Franstalige, het lekenbesef nadrukkelijk aanwezig was. Pater A. Van de Walle heeft toen de pastorale inzet van vrouwen helpen valoriseren. Hij noemde hen die beleidsverantwoordelijkheid droegen 'de pastora's'. Het spreekt vanzelf dat de dominicanen ook lees- en lesopdrachten aanvaardden zowel in het officieel als in het katholiek onderwijs (Zaventem, Schaarbeek, Oudergem).

De periode van de jaren '60 mag voor de Vlaamse dominicanen in Brussel een piloottijd genoemd worden. Ze hebben in het groeiproces van de Nederlandstalige kerkgemeenschap en in de geloofsgroei een belangrijke rol gespeeld. De nieuwe gemeenschap was er zich van bewust dat ze uit vrije wil voor 'iets anders' moest kiezen dan het verder bewandelen van platgetreden paden. Dat ze met een minderheidskerk bezig was is nooit een verlammende gedachte geweest. In de beginjaren werd het als een vreugde ervaren om, bevrijd van vele kerkgewoonten, mensen naar elkaar te doen omzien, vooral naar de minsten (zelfs in de residentiële omgeving van de Tervurenlaan.)

In de daaropvolgende jaren een dynamiek is ontstaan die de menselijke noden nabij wou zijn. Tot in deze eeuw werkt die kracht in Brussel door.

André Vandaele o.p.

Dominicaan 'over de grens'


Wat brengt iemand die van huis uit Vlaming is bij de dominicanen van Belgique-Sud? Ik denk hier spontaan aan het evangeliewoord dat voor mij een heel nieuwe klank kreeg bij mijn afscheid van de parochie waar ik verschillende jaren dienst heb mogen doen (ik was 15 jaar diocesaan priester): "Een ander zal je omgorden en brengen waarheen je niet wilt." Niet dat het tegen mijn zin was. Maar ik leefde al jaren in de situatie van een rondtrekkende predikant. Ik had dit altijd wel een beetje zo gezien tijdens mijn opleidingstijd, maar ik had de idee veilig opgeborgen. Omstandigheden brachten me in die situatie.

Op zoek naar gemeenschap

Ik preekte overal, behalve in mijn eigen bisdom. Als diocesaan priester, zonder gemeenschap, heb je geen basis om dit werk te blijven doen. Het bracht me tot een nieuwe zoektocht. Van huis uit hadden we banden met de dominicanenorde, maar geen contacten meer. Ik heb altijd wel een beetje het beeld van het dominicaans leven voor ogen gehad toen ik nog studeerde, maar dit een beetje verdrongen, denk ik. In mijn zoektocht sprak ik met een goede vriendin. Ik zei tegen haar: "Ik had eigenlijk dominicaan moeten worden. Ik doe veel met theologie en verkondiging en ik reis heel de tijd rond." - "Waarom ook niet?" zei ze. Ik dacht: "Ben je nu helemaal?" Maar dit gesprek bleef bij mij hangen en heeft een heel proces op gang gebracht.

Waarom Belgique-Sud? Ik ben zelf vroeger verantwoordelijke geweest voor roepingenpastoraal en daar heb ik geleerd dat de traditionele vangnetten van de kerk niet meer werken. Ik betrapte me er nu zelf op dat ik, zoals vele jongeren, ook een 'surfer' geworden was, op zoek naar contactpunten, al waren het misschien aanvankelijk slechts digitale contactpunten. Ik belandde op websites van de Franse en Franstalige dominicanen. Ik kon er niet meer naast kijken: ik had iets met de orde van predikers. Was dit een antwoord op mijn spiritueel zoeken? Ik ben met de Franstaligen in contact gekomen, eerst uit 'nieuwsgierigheid'; ook omdat er jongeren waren. Ook de nieuwe internationale gemeenschap in Brussel boeide me. Het is misschien niet zo eenvoudig om zulk project te trekken, maar het kan wel een kans zijn om onze orde terug meer zichtbaar te maken in onze contreien.

Ik heb er wel wat tijd voor genomen om stappen te zetten. De beslissing nemen om binnen dezelfde kerk toch van 'merk' te veranderen, en daardoor ook een beetje van 'geest', is minder gemakkelijk dan ik dacht. Op je veertigste naar het noviciaat gaan, zeker wanneer je zelf in de vorming van priesterkandidaten gewerkt hebt, kan soms hallucinant overkomen. Toch deed ik het. Ik heb er geen spijt van. Ik heb er al veel geleerd en ik ben ook mezelf nog eens tegengekomen.

Multiculturele grensganger

Ik denk dat de orde van de dominicanen de meest postmoderne orde van de kerk is: heel mobiel, heel verscheiden samengesteld, tot in de structuur van onze orde toe. Zijn we niet ergens een kruising tussen monniken, kanunniken, rondtrekkende apostelen, universiteitsprofessoren en sociale voorvechters? Ja, wie zijn wij eigenlijk? Contemplatieve reizigers? Bidders in luchthavens, tussen twee vluchten in, een beetje zoals Dominicus op de wegen van Europa in zijn tijd? Maar in het land van O.P. is veel mogelijk. Er is ook heel veel ruimte tot denken. Er is ook veel broederlijkheid en zusterlijkheid. Je wordt voortdurend getoetst op het concrete. Dominicus' dialoog met de katharen heeft ons een zeer menselijke spiritualiteit opgeleverd. Ik denk dat daar heel wat mee te doen is in onze tijd.

Tegelijkertijd ben ik in een multiculturele context beland: halve Vlaming, halve Bask (mijn vader zaliger kwam tijdens de Spaanse Burgeroorlog naar hier), Vlaming in Wallonië, parochiepriester in een totaal andere mentaliteit (in onze parochies in Rixensart is het wel nog een beetje het denken van de overvloed van vlak na het laatste concilie), studentenpastor in de Brusselse Nederlandstalige minderheidspastoraal, pendelen tussen verschillende kerkbeelden in de seminaries in Nederland waar ik theologie doceer... Zeg dus niet dat ik niet open sta voor 'het andere'. Maar wat wel waar is: meer en meer geef ik er me rekenschap dat de twee taalgemeenschappen in ons land mentaal meer en meer uit elkaar groeien. In Franstalig België ligt dit heel gevoelig.

Ik ben heel blij contacten te hebben met de Vlaamse dominicanen. Ik ervaar er dezelfde broederlijkheid als bij ons, als in Frankrijk, tot in Aruba toe waar ik enkele cursussen gaf. Dominicaan zijn is een waarmerk. Je wordt er door anderen ook op aangesproken. Je kan het misschien niet altijd even gemakkelijk omschrijven (ons charisma en het typisch eigene van onze Orde is vrij onbekend), maar het bestaat toch en je kan het voelen.

Hebben we toch niet meer gemeenschappelijk dan we denken? Destijds was de splitsing van beide dominicaanse provincies blijkbaar een optie die een betere werkbaarheid toeliet. Ik denk dat de Franstalige confraters dit over het algemeen zo ook aanvoelen. Waar moet het in de toekomst heen? Zelf ben ik een van de dominicaanse grensgangers. Ik mag af en toe in het mooie kerkje van Het Zoute gaan preken. Ik zou graag mijn bezoeken aan de Vlaamse confraters verder willen zetten. Ik sta bij sommigen nog in het krijt. Neen, ik volg geen tactiek. Ik denk dat de enige dominicaanse tactiek is: contacten zoeken met mensen, gelegenheden zoeken (en misschien wel creëren) om te preken.

Zelf vind ik veel inspiratie in een van de motto's van onze Orde: 'Laudare, benedicere, praedicare'. Een typisch dominicaanse contemplatie van God (laudare) en de wereld leidt altijd naar contact met mensen; je kunt er hopelijk een beetje goede invloed en goede woorden (benedicere) verspreiden. Je kunt misschien ook verkondigen, desnoods met woorden (praedicare). De explosie van de oergemeente (zie Handelingen 8) slingerde de diaken Filippus allerwegen op een onverwachte evangelisatietocht. De implosie van veel kerkstructuren brengt misschien opnieuw het verlangen naar het Woord naar boven. Dat is mijn hoop. Verder doorgedreven leegte, zinzoeken, loskomen van allerlei ballast (praten we toch nog niet te veel over de kerk alsof we nog in een luxesituatie zitten?) kunnen nieuwe ruimte maken voor het evangelie. De groeiende noodsituatie van mensen, spirituele en ook pastorale woestijnvorming, zullen misschien andere dingen op de voorgrond brengen dan de vele binnenkerkelijke spanningen. De noodsituatie drijft ons mogelijk in elkaars armen. Misschien geldt dit ook voor ons. De eenvoud van onze spiritualiteit, de beproefde structuren van onze orde, onze mobiliteit, het gewone menu van gebed, omgaan met het Woord, liturgie en gemeenschap, een passie voor theologie en studie, een passie voor deze wereld, voor concrete mensen, geven ons zoveel troeven in handen, dat treuren om een verleden eigenlijk puur tijdverlies zou zijn. Waarom er in deze tijd ook niet creatief mee aan de slag gaan?

Patrick Lens o.p.